schrijvers.startje.com
Eigen startpagina

schrijvers rubrieken:

Mayli Wen Roos Boum - Valse Salie Tisa Pescar - Jachtmaan Raven Dice - genot van prooi Karin Erkens Judith Visser - Tegengif Sergio do Carmo Helena Rentmeester Natalie Koch Gerard Klappers J.L.Jones Mel Hartman - Fantasiejagers FORA NEDERLANDSTALIGE AUTEURS DIVERSEN Nicolet Steemers Netty van Kaathoven Kaat Roozal Lucas Zandberg Mel Hartman - Droomloos

Lucas Zandberg

Sisi's winterlied, de debuutroman van Lucas Zandberg over keizerin Elisabeth van Oostenrijk, verschijnt op 15 november 2007 bij uitgeverij Conserve. ISBN: 978 90 542 9250 0. Het omslag is nog niet beschikbaar. Tijdens haar Griekse les ontvangt keizerin Elisabeth van Oostenrijk (Sisi) een onheilsbericht. Haar enige zoon, kroonprins Rudolf, is samen met zijn minnares dood aangetroffen in zijn jachtslot. Eerst denkt het Weense hof aan moord, maar dan wordt duidelijk dat de geliefden een fataal pact hebben gesloten. In twee verhaallijnen volgen we de legendarisch mooie Sisi voor en na deze zwarte dag. Ondanks de grenzeloze liefde van keizer Franz Joseph voelt zij zich al snel een gevangene van het hofceremonieel. Met steeds wisselende passies, van paardrijden tot poëzie, probeert ze een invulling aan haar leven te geven. Een knappe Hongaarse graaf, een veeleisende schoonmoeder en twee Belgische prinsessen kruisen haar levenspad. Maar vooral met haar kinderen heeft ze een unieke band. De reislustige keizerin slaat uiteindelijk steeds meer op de vlucht, haar eigen noodlot tegemoet reizend. Fragment: Geduldig wachtte Elisabeth tot Rudolf zijn tekening af had. Ingespannen, met een diepe frons op zijn voorhoofd, kleurde de negenjarige kroonprins zijn tekenvel rood. Het duurde even voor hij haar aanwezigheid opmerkte. Hij legde het potlood neer. Stijfjes stond hij op om haar formeel te begroeten. Pas toen zag hij hoe ze mooi ze was uitgedost. Haar kroningsgewaad hing nog aan de paspop te wachten en daarom had ze een sneeuwwitte japon aangetrokken die haar voorstuwde in zijn eenvoud. Bewonderend bekeek Rudolf de kroon van diamanten die zijn moeder droeg. Zijn mond viel spontaan open. ‘Dit is de kroon die ik morgen zal dragen,’ zei Elisabeth trots. ‘Morgen worden je vader en ik tot koning en koningin van Hongarije gekroond. De afgelopen jaren heb ik me voor de Hongaarse kwestie ingezet. Papa werd soms dwaas van me, maar het is me gelukt en ooit zal ook jij koning van Hongarije worden. Ik hoop dat je dan eraan zal denken dat je mama dat voor jou heeft gedaan, Rudolf.’ Het was een leugen. Dat Rudolf ooit over het Oostenrijk-Hongaarse rijk zou heersen was slechts een bijkomstigheid, maar wel een fijne waarvan ze vond dat ze hem erop mocht attenderen. Ze praatte verder over de kroningsplechtigheden en besefte dat ze doorratelde. Ze stokte midden in een zin. Rudolf had haar al die tijd wijs aangekeken. Het was zo gemakkelijk om te vergeten dat hij een kind was. Ze dacht aan de gedetailleerde brieven die ze hem had geschreven over de gewonden van Königgratz en de politieke gevolgen. Kindertaal had ze nooit gebruikt. Rudolf had het allemaal begrepen en intelligente epistels teruggeschreven. ‘U ziet er mooi uit, moeder,’ zei hij. ‘Dank je wel, Rudolf,’ zei Elisabeth. ‘Vertel eens, wat teken je daar? Laat me eens zien wat je hebt gemaakt.’ Verlegen reikte Rudolf de tekening aan waarmee hij bezig was geweest. Elisabeth zag een heuvelachtig landschap met in de hoek een villa waarboven een vlag waaide die minstens zo groot was als de villa zelf. In het midden stond een boom en vlak daarnaast had Rudolf zichzelf vereeuwigd. Gekleed in jachttenue hield hij een geweer vast. Voor de brede boom lagen veelkleurige vogels verzameld in een plas bloed. Rondom de levenloze vogels stonden ontelbaar veel rode krassen en strepen. Elisabeths warme glimlach verkrampte. ‘Waarom al die vogels, Rudolf?’ vroeg ze weifelend. ‘Ik teken graag dieren,’ zei hij op een toon alsof ze een domme vraag had gesteld. ‘Ik houd van dieren en vooral van vogels.’ ‘Maar ze zijn allemaal dood,’ zei Elisabeth. ‘Waarom teken je alleen maar dode dieren?’ ‘Dat weet ik niet, moeder,’ klonk Rudolfs antwoord. Hij was nog altijd gebiologeerd door Elisabeths kroon. Vol ontzag staarde hij ernaar. Hij leek elk detail van haar verschijning in zijn geheugen op te slaan. Elisabeth bladerde door de stapel tekeningen en ging op zoek naar een vrolijk tafereel. Het ene werkje van de kroonprins was nog roder dan het andere. Met een misselijk gevoel in haar onderbuik liet ze hem alleen.