Het hart en de moordkuil
ISBN 90-204-0537-3
De vijftienjarige Louise zorgt voor haar humeurige vader Herbert Oostdijk, bekend beeldend kunstenaar. Dat hij op de wachtlijst staat voor een harttransplantatie weerhoudt hem er niet van te roken, te drinken en het met vrouwen aan te leggen. Verder dreigt het een saaie zomer te worden voor Louise, spelend op een versleten gitaar die klinkt als een schoenendoos met elastieken. Daar komt verandering in als een ongenode gast op de opening van Herberts expositie verschijnt, en de kunstschilder een hartaanval bezorgt. Hij belandt in het ziekenhuis, in afwachting van een donorhart. Een nieuw hart brengt letterlijk en figuurlijk een nieuw leven met zich mee, maar ook een fatale dreiging.
fragment:
De maatschappelijk werkster van het transplantatieteam ontvangt haar in een naargeestig kamertje met een groot bureau. In de vensterbank staat een glazen vaas vol troebel water. Verbleekte bloemen hangen onpasselijk over de rand. De vrouw gaat aan haar bureau zitten en gebaart naar de stoel aan de andere kant.
‘Je vader was zeker wel blij om je te zien?’ vraagt ze vriendelijk.
‘Hij sliep half. Ik geloof niet dat hij gemerkt heeft dat ik bij hem heb gezeten.’
‘O. Dat kan gebeuren. Hij heeft natuurlijk al wat middelen gehad die hem kalm de operatie in laten gaan. Op het moment wordt hij geschoren. De chirurg, dokter Vleming, komt zo nog even om je een korte uitleg te geven over wat we gaan doen. Heb jij nog vragen?’
Louise schraapt haar keel. ‘Is het een goed hart?’
Nee, een afdankertje van een bejaarde Hells Angel.
‘Ja, een heel sterk hart. Van een jonge man die bij een motorongeluk is omgekomen. Hij was pas tweeëntwintig. Ze schikt een stapel papieren op het bureau, plooit een glimlach om haar lippen en kijkt Louise over de rand van haar bril aan